|
Col. Robert L. Strayer
Commandant van het tweede bataljon van het
506de P.I.R. 101st AB Div. (2e wereldoorlog)
Een verhaal geschreven door een sergeant van het 2e bat. E-Compagnie.
Robert L. Strayer (Mrs. Millie Strayer)
Een leider, een heer en een moedig soldaat.
door Robert J. Rader (rechts)
Dit verhaal is beschikbaar gesteld door
Eddie van Kooyk, de zoon van John
van Kooijk, een Eindhovens lid van de ondergrondse die zich na de
bevrijding van Eindhoven bij de Band of Brothers voegde om mee te vechten.
Col. Robert L. Strayer
(Dit verhaal begint als het 506de Para Infanterie Regiment wordt geformeerd in Toccoa. Georgia; het vroegere kamp Tombs, genoem naar een generaal uit de burgeroorlog.)
De training van het regiment begon met een groep officieren die aan veel veranderingen zou blootstaan. Sommige officieren verlieten het regiment vanwege psychische problemen hoewel dit niet altijd per definitie een smet was op hun verdere carrière als officier.
Dat kwam omdat we deze twee Luitenant kolonels . |
|
|
|
|
|
Japanners!
Door goed te plannen bereidde het tweede bataljon zich gedurende de basisopleiding voor op de voettocht naar Atlanta. Daarna per trein naar Ft. Benning. Georgia.
Veel van ons waren nog aan het ontdekken wie majoor Strayer was en dachten dat hij niet eens tot Cornelius zou komen. Hij leek meer op een kantoorpik, misschien te zacht. Zijn voeten zouden het dag in dag uit stampen niet aankunnen. We liepen tenslotte de eerste dag 71 km. We bleven de hele nacht in een katoenveld naast een landweggetje. Het weer werd slecht. Het begon te vriezen. Onze schoenen vroren aan de grond vast omdat we de dag tevoren de hele dag in de regen hadden gelopen. Toen we onze schoenen los probeerden te wrikken van de tot ijs verworden modder had dat als enige resultaat dat ze zo stijf waren dat je ze niet uit of aan je met blaren overdekte voeten kon krijgen. We maakten vuurtjes en óf we gooiden onze schoenen daarin of we staken ze erin terwijl we ze nog aan hadden. Ik kan dit in alle oprechtheid zeggen: De mannen begonnen te twijfelen aan het verstand van deze kantoorbediende, kantoorpikachtige officier. Ik begreep niet dat die jonge kerels, afkomstig uit alle lagen van de bevolking, zoveel scheldnamen hadden voor iemand die ze nauwelijks kenden. Ik denk dat mannen onder stress overgaan naar dergelijk taalgebruik om iets te begrijpen dat niet in hun vocabulaire voorkomt of het beste van iemand komt naar voren juist in een stress situatie. Die morgen van de we dag was niet ons beste begin om iets te doen. Onze schoenen waren aan de grond vastgevroren en het ontbijt leek wel warm. Het is koud en we waren niet in de fijne warme barakken in Toccoa en je houding is zoiets van doorgaan want je hebt je tenslotte als vrijwilliger opgegeven!! Dus houd op met klagen, pak je uitrusting bij elkaar en op weg binnen 15 minuten om vandaag weer een nieuwe mars van 71 km te doen! Veel van ons koesterden de wens op die koekwous eens te ontmoeten die dit achterlijke idee had opgevat. Zeer zeker. Deze majoor Strayer was ook op weg naar Atlanta.
We dachten dat hij het nooit zou halen. Hij leek nog steeds op een directielid van de een of andere zaak uit Philadelphia. Ik weet zeker dat, toen we na deze 2e dag stopten, de mannen er van overtuigd waren dat die man niet van ophouden wist. Het was een goed teken dat we een bataljons commandant hadden die door dik en dun bij je bleef.
Toen we Atlanta naderden stak het gerucht de kop op dat we op het voetbalveld van de universiteit van Oglethorpe ons kamp zouden opslaan. Intussen had er niemand aan gedacht contact op te nemen met die universiteit. Daar leidden ze de zogenaamde W.A.C.'s op, vrouwen die hun steentje wilden bijdragen aan de oorlog. We hadden dus 142 km. in twee dagen afgelegd. De voeten en benen van de mannen begonnen pijn te doen! Onze persoonlijkheid veranderde iets. Maar de gedachte dat we de volgende avond en nacht zouden doorbrengen bij die W.A.C.'s dreef de mannen als het waren richting Atlanta. De moeie voeten en benen verdwenen en de laatste dag van de mars ging iets beter. Kun je je dat voorstellen?
Die majoor Strayer vertelde ons, toen we de universiteit van Oglethorpe naderden dat we ons kamp zouden opslaan buiten het voetbalstadion in de bossen. We zouden er een regenachtige, koude, miserabele nacht doorbrengen, terwijl het enige wat ons nog restte een mars was van die universiteit naar het centrum van Five Point Atlanta, nog maar ongeveer 32 km. De vraag die bij iedereen opkwam was of deze kantoorpikachtige officier het leuk vond dat alle mannen zich konden scheren, verschonen en hun lijf en uitrusting van de rode modder van Georgia konden ontdoen zodat we er netjes uitzagen als we Atlanta zouden binnenmarcheren.
Op de een of andere manier kwam het tot stemmen of we ons wel zouden 'opmaken' voor die V.I.P.'s in Atlanta of niet. E-Company besliste: "Je danst met de dingen die je hebt meegebracht om te dansen!" Of ze nemen ons met onze zere voeten, de modder, de zere benen, smerige uniformen en alles of ze kunnen het schudden! We hadden verwacht dat die majoor voor nethoud zou gaan en al de andere stadse onzin van Philadelphia! Maar hij stemde in met de wensen van het bataljon, dus wisten we dat we het samen met die kantoorpik uit Philadelphia hadden gemaakt!
Ik weet niet zeker of hij 'groepsbinding' in gedachten had toen hij eraan begon maar deze mars bracht E-Compagnie bij elkaar als een solide compagnie die tot de dood er op volgde bij elkaar zou blijven en dat heeft tot de dag van vandaag geduurd! Ik denk dat we alle 600 hebben gedacht dat we met iedereen moesten samenwerken om deze record mars tot een goed einde te brengen. Het leerde ons iedere in het bataljon kennen. Vanaf de eerste dag tot nu toe. Het kwam vaak voor dat mannen van de achterste compagnieën mannen oppikten van de voorste die dachten dat ze het niet zouden halen. Die mannen werden aan het eind van de dag na die 77 km. mars teruggebracht naar hun eigen eenheid om te bereiken dat ze er de volgende dag weer tegen aan gingen. Dus die "crazy horse" Majoor Strayer kreeg ons er niet onder! Maar op hetzelfde moment dachten we wat hij de volgende keer weer zou verzinnen. Misschien stelde hij Col. Sink wel voor om ons op Hitler's nek te droppen om zodoende de oorlog snel te beëindigen. Maar zoals later bleek had een een battaljon van officieren, mannen die naar de hel en terug gingen voor het tweede bataljon en het regiment. Deze mars bracht die 600 man dichter bij elkaar als ooit tevoren als resultaat van de en of andere "gekke" majoor die zich vrijwillig opgaf om ongeveer 193 km te lopen van Toccoa, Georgia naar Atlanta, alleen maar om het een of andere Japanse record te breken!
We legden de ongeveer 193 km. af in 32 uur lopen met volle bepakking en er vielen er maar een paar uit. Betekende dit dat officieren en manschappen gevraagd konden worden iets te doen en dat kolonet Sink er dan van op aankon dat het gebeurde?
Je kunt er je kop om verwedden dat dit dan gebeurde!
Betekende dit dat die "crazy horse" bataljons commandant Strayer een groep van 600 mannen had waar hij op kon vertrouwen en omgekeerd?
Je kunt er je kop om verwedden dat dit het geval was!
Toen deze mannen zich verzamelden in Camp Tombs, Georgia, op die hete, drukkende dag in augustus 1942 waren we allesbehalve een georganiseerde groep.
Het leek erop dat iedere man zijn eigen persoonlijkheid was maar na die mars realiseerde zich iedereen dat het niet het individu deze oorlog ging winnen maar dat we sámen naar dat einde toe moesten werken.
Werkend van de ene training naar de andere werden we ons allemaal bewust van onze verantwoordelijkheid, het respect dat we voor elkaar hadden, niet alleen in de groepen, peletons of compagnieën maar ook in het battaljon en het regiment.
We realiseren ons ook dat op dit moment (Major) Colonel Robert L. Strayer nog de enige in leven zijnde bataljons commandant is. (noot: Bob Strayer overleed in 2002)
Ik denk nog wat we dachten op die dag in Toccoa toen die glimmende, splinternieuwe, welbespraakte bataljons commandant ons toesprak op een broeierige dag in Georgia. Kijkend en luisterend naar deze man dachten we, toen we terug waren in de barakken, dat hij het hooguit een maand zou volhouden.
We hadden geen rekening gehouden met het feit dat hij de kracht had om de weg met ons af te leggen. Dat kwam ons goed van pas want we hoefden tijdens de oorlog niet zo vaak van commandant te wisselen als andere bataljons. Dit Philadelphia verhaal ging over niemand minder dan Col. Robert L. Strayer, een man, een leider, een geweldige vent die ik "vriend" zou willen noemen .
Dus Col. Robert L. Strayer: dank voor wat u tijdens de oorlog en de vredestijd hebt betekend voor het 2 bataljon! Maar, niet meer van dergelijke streken jongen! Van die onzin dat we naar Atlanta gaan. Dan pak ik de bus!
God Bless!
Bob Rader,
Co. E 506 101st W.W.II |